woensdag 11 februari 2026

BWV 640 “In dich hab' ich gehoffet, Herr”

Orgelbüchlein

Het lied is geschreven door Adam Reissner, vermoedelijk rond 1533. De melodie is bij diverse liederen in Nederland gebruikt, waarvan de meest bekende wellicht is ‘Waarom moest ik uw stem verstaan’ van Ad den Besten.

BWV 640.

In dich hab' ich gehoffet, Herr - Peter Breugelmans

In dich hab ich gehoffet, Herr - Ben Bloor

In dich hab ich gehoffet, Herr;
hilf, daß ich nicht zuschanden werd
noch ewiglich zu Spotte;.
Das bitt ich dich: erhalte mich
in deiner Treu, mein Gotte.

Dein gnädig Ohr neig her zu mir,
erhör mein Bitt, tu dich herfür,
eil, bald mich zu erretten.
in Angst und Weh ich lieg und steh;
hilf mir in meinen Nöten.

Mein Gott und Schirmer steh mir bei;
sei mir ein Burg, darin ich frei
und ritterlich mög streiten,
ob mich gar sehr der Feinde Heer
anficht auf beiden Seiten.

Du bist mein Stärk, mein Fels, mein Hort,
mein Schild, mein Kraft - sagt mir dein Wort-,
mein Hilf, mein Heil, mein Leben,
mein starker Gott in aller Noh;
wer mag dir widerstreben?

Mir hat die Welt trüglich gericht'
mit Lügen und falschem Gedicht
viel Netz und heimlich Stricke;
Herr, nimm mein wahr in dieser G'fahr,
b'hüt mich vor falscher Tücke.

Herr, meinen Geist befehl ich dir;
mein Gott, mein Gott, weich nicht von mir,
nimm mich in deine Hände,
O wahrer Gott, aus aller Not
hilf mir am letzten Ende.

Preis, Ehre, Ruhm und Herrlichkeit
sei Vater, Sohn und Geist bereit',
Lob seinem heilgen Namen.
Die göttlich Kraft mach uns sieghaft
durch Jesum Christus. Amen.

dinsdag 10 februari 2026

BWV 639 “Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,”

Orgelbüchlein

Tekst en melodie zijn oorspronkelijk van Johannes Agricola (1531). Deze compositie is een zeer geliefd werk van Bach. Dat moge ook blijken uit de vele uitvoeringen die er op Youtube te vinden zijn. Sommigen geven aan dat het hier om een soort klaaglied zou gaan. De melodie zou hierop kunnen wijzen en ook de wijze van componeren van Bach. En ook als is de zetting van dit koraal in f-klein, Bach eindigt de bewerking in majeur. Eerder geeft de compositie aan een gebed in vertrouwen om volharding. Deze koraalbewerking is weliswaar heel langzaam, zeker als we het vergelijken met de koraalzetting in BWV 1124.
De vijf verzen vormen een individueel gebed tot Jezus Christus. De smeekbeden omvatten: leven volgens het woord van Jezus (vers 1), bewaring in hoop tot het uur van de dood (vers 2), vergeving, de kracht om te vergeven en standvastigheid in tegenspoed (vers 3), voortdurend vertrouwen op onverdiende goddelijke genade (vers 4) en bescherming in verleiding en beproeving (vers 5).
Bach gebruikt dit lied als openingskoraal in de cantate, BWV 177.
In Nederland is het lied onder de titel ‘U Here Jezus roep ik aan’ (Jan Willem Schulte Nordholt) opgenomen in de diverse liedbundels. 

BWV 639.

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ - Leo Van Doeselaar

Ich ruf zu dir - Anne-Isabelle de Parcevaux

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ, - Maurits Bunt


Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,
ich bitt, erhör mein Klagen;
verleih mir Gnad zu dieser Frist,
laß mich doch nicht verzagen.
Den rechten Glauben, Herr, ich mein,
den wollest du mir geben,
dir zu leben,
mein Nächsten nütz zu sein,
dein wort zu halten eben.

Ich bitt noch mehr, o Herre Gott
du kannst es mir wohl geben -,
daß ich nicht wieder werd zu Spott,
die Hoffnung gib darneben;
voraus, wenn ich muß hier davon,
daß ich dir mög vertrauen
und nicht bauen
auf alles mein eigen Tun,
sonst wird's mich ewig reuen.

Verleih, daß ich aus Herzensgrund
den Feinden mög vergeben,
verzeih mir auch zu dieser Stund,
schaff mir ein neues Leben;
dein Wort mein Speis laß allweg sein,
damit mein Seel zu nähren,
mich zu wehren,
wenn Unglück schlägt herein,
das mich bald möcht verkehren.

Laß mich kein Lust noch Furcht von dir
in dieser Welt abwenden;
beständig sein ans End gib mir,
du hast's allein in Händen;
und wem du's gibst, der hat's umsonst,
es mag niemand erwerben,
noch ererben
durch Werke deine Gunst,
die uns erett' vom Sterben.

Ich lieg im Streit und widerstreb,
hilf, o Herr Christ, dem Schwachen;
an deiner Gnad allein ich kleb,
du kannst mich stärker machen.
Kommt nun Anfechtung her, so wehr,
daß sie mich nicht umstoße,
du kannst machen,
daß mir's nicht bringt Gefähr.
Ich weiß, du wirst's nicht lassen.

 

Johannes Agricola

Johann of Johannes Agricola (oorspronkelijk Schneider, later Schnitter; 20 april 1494 – 22 september 1566)[1] was een Duitse protestantse hervormer tijdens de protestantse Reformatie. Hij was een volgeling en vriend van Maarten Luther, die zijn tegenstander werd in de kwestie van de bindende verplichtingen van de wet voor christenen. Agricola werd geboren in Eisleben, vanwaar hij soms Magister Islebius wordt genoemd. Hij studeerde in Wittenberg, waar hij al snel de vriendschap van Maarten Luther verwierf. In 1519 vergezelde hij Luther naar de grote bijeenkomst van Duitse theologen in Leipzig en fungeerde als notulist. Na enige tijd in Wittenberg les te hebben gegeven, ging hij in 1525 naar Frankfurt om de protestantse eredienst te vestigen. Hij woonde daar slechts een maand toen hij naar Eisleben werd geroepen, waar hij tot 1526 bleef als leraar aan de school van St. Andreas en predikant in de Nicolaikerk. In 1536 werd hij teruggeroepen om les te geven in Wittenberg, waar hij door Luther werd verwelkomd. Vrijwel onmiddellijk brak er echter een controverse uit, die tien jaar eerder was begonnen en tijdelijk tot zwijgen was gebracht, heftiger dan ooit. Agricola was de eerste die de opvattingen verkondigde die Luther als eerste stigmatiseerde onder de naam antinomiaan. Hij stelde dat hoewel niet-christenen nog steeds aan de wet van Mozes gebonden waren, christenen er volledig vrij van waren, omdat ze alleen onder het evangelie stonden. De controverse deed de twee theologen uit elkaar gaan. Philip Melanchthon leerde dat het noodzakelijk was om goede werken te doen, maar dat deze een uitvloeisel van het geloof waren en niet de reden om vergeving te ontvangen. Agricola vond dat Melanchthons visie op de wet haaks stond op die van Luther. Agricola vond dat de wet na de rechtvaardiging niet nodig was, mogelijk negerend het idee dat iemand nog steeds van het geloof kon afvallen. Dit staat mogelijk dichter bij de calvinistische opvatting van "Eens gered, altijd gered". Als gevolg van de bittere controverse met Luther vertrok Agricola in 1540 in het geheim vanuit Wittenberg naar Berlijn, waar hij een brief publiceerde gericht aan Frederik III, keurvorst van Saksen, die algemeen werd geïnterpreteerd als een herroeping van zijn eerdere opvattingen. Luther lijkt dit echter niet te hebben aanvaard en Agricola bleef in Berlijn.
Joachim II Hector, keurvorst van Brandenburg, had Agricola in zijn gunst aanvaard en benoemde hem tot hofprediker en algemeen superintendent. Hij bekleedde beide ambten tot aan zijn dood in 1566, en zijn carrière in Brandenburg was er een van grote activiteit en invloed.
Samen met Julius von Pflug, bisschop van Naumburg-Zeitz, en Michael Helding, titulair bisschop van Sidon, bereidde hij het Augsburgse Interim van 1548 voor, een voorgestelde regeling waarbij protestanten alle katholieke autoriteit zouden aanvaarden, waarbij zij de protestantse leer over de communie onder zowel mannelijke als gehuwde geestelijken mochten behouden, maar verder verplicht waren de katholieke leer en praktijk te aanvaarden, inclusief de verwerping van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Vanaf die tijd was hij een paria onder protestantse theologen. Het was ironisch dat een van de meest radicale hervormers zijn leven beëindigde met de gedachte dat hij zich had overgegeven aan de katholieken. Hij stierf tijdens een pestepidemie op 22 september 1566 in Berlijn.



maandag 9 februari 2026

BWV 638 “Es ist das Heil uns kommen her”

Orgelbüchlein

"Es ist das Heil uns kommen her",  is een luthers lied van Paul Speratus. Het werd voor het eerst gepubliceerd als een van de acht liederen in 1524 in het eerste lutherse liedboek, het Achtliederbuch, dat vier liederen van Luther, drie van Speratus en één van Justus Jonas bevatte. In hetzelfde jaar verscheen het in Erfurt in het Eyn Enchiridion. De melodie, was al bekend in de 15e eeuw. Volgens de overlevering schreef Speratus dit lied terwijl hij in de gevangenis van Olomouc zat, waar hij vanwege zijn evangelische overtuigingen tot de vuurdood was veroordeeld. Alleen op voorspraak van vrienden werd hij vrijgelaten, op voorwaarde dat hij Moravië zou verlaten. De tekst van Speratus is gebaseerd op Paulus' brief aan de Romeinen, Romeinen 3:28 en geeft uitdrukking aan Luthers leer over de verlossing. Volgens Scott Hendrix "benadrukt het niet alleen de rechtvaardiging door geloof alleen, maar onderstreept het ook de vitaliteit van dat geloof dat zich manifesteert in dienstbaarheid aan anderen. Het verhaal van Luthers tot tranen toe bewogen toen hij deze hymne voor het eerst hoorde, van een bedelaar buiten zijn raam in Wittenberg, is door velen naverteld.
Tussen 1708 en 1714, toen Johann Sebastian Bach hoforganist was aan het hertogelijk hof in Weimar, stelde hij koraalpreludiums samen voor het liturgische jaar in zijn Orgelbüchlein en nam deze op als catechismushymne, BWV 638.
Bach gebruikte dit in verschillende van zijn cantates in 1716, 1723 en 1724. Tussen 1732 en 1735 gebruikte hij dit als basis voor zijn gelijknamige koraalcantate, BWV 9.

BWV 638.

Es ist das Heil uns kommen her - Paul De Maeyer

Es ist das Heil uns kommen her - Ben Bloor

Es ist das Heil uns kommen her
von Gnad und lauter Güte;
die Werk, die helfen nimmermehr,
sie können nicht behüten.
Der Glaub sieht Jesum Christus an,
der hat für uns genug getan,
er ist der Mittler worden.

Was Gott im G'setz geboten hat,
da man es nicht konnt halten,
erhob sich Zorn und große Not
vor Gott so mannigfalten;
vom Fleisch wollt nicht heraus der Geist,
vom G'setz erfordert allermeist;
es war mit uns verloren.

Doch mußt das G'setz erfüllet sein,
sonst wärn wir all verdorben.
Drum schickt Gott seinen Sohn herein,
der selber Mensch ist worden;
das ganz Gesetz hat er erfüllt,
damit seins Vaters Zorn gestillt,
der über uns ging alle.

Und wenn es nun erfüllet ist
durch den, der es konnt halten,
so lerne jetzt ein frommer Christ
des Glaubens recht Gestalte.
Nicht mehr denn: "Lieber Herre mein,
dein Tod wird mir das Leben sein,
du hast für mich bezahlet."

Daran ich keinen Zweifel trag,
dein Wort kann nicht betrügen.
Nun sagst du, daß kein Mensch verzag,
- das wirst du nimmer lügen -:
"Wer glaubt an mich und wird getauft,
demselben ist der Himmel erkauft,
daß er nicht werd verloren."

Es ist gerecht vor Gott allein,
der diesen Glauben fasset;
der Glaub gibt einen hellen Schein,
wenn er die Werk nicht lasset;
mit Gott der Glaub ist wohl daran,
dem Nächsten wird die Lieb Guts tun,
bist du aus Gott geboren.

Die Werk, die kommen g'wißlich her
aus einem rechten Glauben;
denn das nicht rechter Glaube wär,
wolltst ihn der Werk berauben.
Doch macht allein der Glaub gerecht;
die Werk, die sind des Nächsten Knecht,
dran wir den Glauben merken.

Sei Lob und Ehr mit hohem Preis
um dieser Guttat willen
Gott Vater, Sohn und Heilgem Geist.
Der woll mit Gnad erfüllen,
was er in uns ang'fangen hat
zu Ehren seiner Majestät,
daß heilig werd sein Name;

sein Reich zukomm; sein Will auf erd
g'scheh wie im Himmelsthrone;
das täglich Brot noch heut uns werd;
will unsrer Schuld verschonen,
wie wir auch unsern Schuldnern tun;
laß uns nicht in Versuchung stehn;
lös uns vom Übel. Amen.

 



 

BWV 640 “In dich hab' ich gehoffet, Herr”

Orgelbüchlein Het lied is geschreven door Adam Reissner, vermoedelijk rond 1533. De melodie is bij diverse liederen in Nederland gebruikt, w...