donderdag 12 februari 2026

BWV 641 “Wenn wir in höchsten Nöten sein”

Orgelbüchlein

In de ontstaanstijd van BWV 641 werkte Bach in Weimar, als organist en kamermusicus aan het hof van hertog Wilhelm Ernst. Bach had de jaren daarvoor veel ervaring opgedaan in het ambt van improviserend organist. Waar hij in zijn eerste koraalvoorspelen nog zocht naar een eigen stijl, en soms al te nadrukkelijk wilde experimenteren, horen we hier de Bach die we zo bewonderen. De geruststellende muziek draagt het koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein. Als wij in hoogste nood verkeren, weten wij in elk geval dat wij de Heer samen aanroepen. Oorspronkelijk was het een calvinistisch gezang (Lève le coeur), de melodie komt van de beroemde hymneschrijver Louis Bourgeois. Dit lied kwamen we al eerder tegen bij het koraal BWV 431 en BWV 432. De melodie werd onder meer gebruikt voor de berijming van de 10 geboden in de berijming van 1773 met daaraan toegevoegd de enige gezangen.

BWV 641.

Wenn wir in höchsten Nöten sein - Daniel Seeger

Wenn wir in höchsten Nöten sein - Peter Breugelmans

Wenn wir in höchsten Nöthen sein
Und wissen nicht, wo aus und ein,
Und finden weder Hülf' noch Rath,
Ob wir gleich sorgen früh und spät,

So ist das unser Trost allein,
Daß wir zusammen insgemein
Dich anrufen , du treuer Gott,
Um Rettung aus der Angst und Noth.

Und heben unser Aug und Herz
Zu dir in wahrer Reu und Schmerz
Und flehen um Begnadigung
Und aller Strafen Linderung,

Die du verheißest gnädiglich
Allen, die darum bitten dich
Im Namen deines Sohns Jesu Christ,
Der unser Heil und Fürsprech ist.

Drum kommen wir, o Herre Gott,
Und klagen dir all unsre Not,
Weil wir jetzt stehn verlassen gar
In großer Trübsal und Gefahr.

Sieh nicht an unsre Sünde groß,
Sprich uns davon aus Gnaden los
Steh uns in unserm Elend bei,
Mach uns von allen Plagen frei,

Auf daß von Herzen können wir
Nachmals mit Freuden danken dir,
Gehorsam sein nach deinem Wort,
Dich allzeit preisen hier und dort.





woensdag 11 februari 2026

BWV 640 “In dich hab' ich gehoffet, Herr”

Orgelbüchlein

Het lied is geschreven door Adam Reissner, vermoedelijk rond 1533. De melodie is bij diverse liederen in Nederland gebruikt, waarvan de meest bekende wellicht is ‘Waarom moest ik uw stem verstaan’ van Ad den Besten.

BWV 640.

In dich hab' ich gehoffet, Herr - Peter Breugelmans

In dich hab ich gehoffet, Herr - Ben Bloor

In dich hab ich gehoffet, Herr;
hilf, daß ich nicht zuschanden werd
noch ewiglich zu Spotte;.
Das bitt ich dich: erhalte mich
in deiner Treu, mein Gotte.

Dein gnädig Ohr neig her zu mir,
erhör mein Bitt, tu dich herfür,
eil, bald mich zu erretten.
in Angst und Weh ich lieg und steh;
hilf mir in meinen Nöten.

Mein Gott und Schirmer steh mir bei;
sei mir ein Burg, darin ich frei
und ritterlich mög streiten,
ob mich gar sehr der Feinde Heer
anficht auf beiden Seiten.

Du bist mein Stärk, mein Fels, mein Hort,
mein Schild, mein Kraft - sagt mir dein Wort-,
mein Hilf, mein Heil, mein Leben,
mein starker Gott in aller Noh;
wer mag dir widerstreben?

Mir hat die Welt trüglich gericht'
mit Lügen und falschem Gedicht
viel Netz und heimlich Stricke;
Herr, nimm mein wahr in dieser G'fahr,
b'hüt mich vor falscher Tücke.

Herr, meinen Geist befehl ich dir;
mein Gott, mein Gott, weich nicht von mir,
nimm mich in deine Hände,
O wahrer Gott, aus aller Not
hilf mir am letzten Ende.

Preis, Ehre, Ruhm und Herrlichkeit
sei Vater, Sohn und Geist bereit',
Lob seinem heilgen Namen.
Die göttlich Kraft mach uns sieghaft
durch Jesum Christus. Amen.

dinsdag 10 februari 2026

BWV 639 “Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,”

Orgelbüchlein

Tekst en melodie zijn oorspronkelijk van Johannes Agricola (1531). Deze compositie is een zeer geliefd werk van Bach. Dat moge ook blijken uit de vele uitvoeringen die er op Youtube te vinden zijn. Sommigen geven aan dat het hier om een soort klaaglied zou gaan. De melodie zou hierop kunnen wijzen en ook de wijze van componeren van Bach. En ook als is de zetting van dit koraal in f-klein, Bach eindigt de bewerking in majeur. Eerder geeft de compositie aan een gebed in vertrouwen om volharding. Deze koraalbewerking is weliswaar heel langzaam, zeker als we het vergelijken met de koraalzetting in BWV 1124.
De vijf verzen vormen een individueel gebed tot Jezus Christus. De smeekbeden omvatten: leven volgens het woord van Jezus (vers 1), bewaring in hoop tot het uur van de dood (vers 2), vergeving, de kracht om te vergeven en standvastigheid in tegenspoed (vers 3), voortdurend vertrouwen op onverdiende goddelijke genade (vers 4) en bescherming in verleiding en beproeving (vers 5).
Bach gebruikt dit lied als openingskoraal in de cantate, BWV 177.
In Nederland is het lied onder de titel ‘U Here Jezus roep ik aan’ (Jan Willem Schulte Nordholt) opgenomen in de diverse liedbundels. 

BWV 639.

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ - Leo Van Doeselaar

Ich ruf zu dir - Anne-Isabelle de Parcevaux

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ, - Maurits Bunt


Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,
ich bitt, erhör mein Klagen;
verleih mir Gnad zu dieser Frist,
laß mich doch nicht verzagen.
Den rechten Glauben, Herr, ich mein,
den wollest du mir geben,
dir zu leben,
mein Nächsten nütz zu sein,
dein wort zu halten eben.

Ich bitt noch mehr, o Herre Gott
du kannst es mir wohl geben -,
daß ich nicht wieder werd zu Spott,
die Hoffnung gib darneben;
voraus, wenn ich muß hier davon,
daß ich dir mög vertrauen
und nicht bauen
auf alles mein eigen Tun,
sonst wird's mich ewig reuen.

Verleih, daß ich aus Herzensgrund
den Feinden mög vergeben,
verzeih mir auch zu dieser Stund,
schaff mir ein neues Leben;
dein Wort mein Speis laß allweg sein,
damit mein Seel zu nähren,
mich zu wehren,
wenn Unglück schlägt herein,
das mich bald möcht verkehren.

Laß mich kein Lust noch Furcht von dir
in dieser Welt abwenden;
beständig sein ans End gib mir,
du hast's allein in Händen;
und wem du's gibst, der hat's umsonst,
es mag niemand erwerben,
noch ererben
durch Werke deine Gunst,
die uns erett' vom Sterben.

Ich lieg im Streit und widerstreb,
hilf, o Herr Christ, dem Schwachen;
an deiner Gnad allein ich kleb,
du kannst mich stärker machen.
Kommt nun Anfechtung her, so wehr,
daß sie mich nicht umstoße,
du kannst machen,
daß mir's nicht bringt Gefähr.
Ich weiß, du wirst's nicht lassen.

 

Johannes Agricola

Johann of Johannes Agricola (oorspronkelijk Schneider, later Schnitter; 20 april 1494 – 22 september 1566)[1] was een Duitse protestantse hervormer tijdens de protestantse Reformatie. Hij was een volgeling en vriend van Maarten Luther, die zijn tegenstander werd in de kwestie van de bindende verplichtingen van de wet voor christenen. Agricola werd geboren in Eisleben, vanwaar hij soms Magister Islebius wordt genoemd. Hij studeerde in Wittenberg, waar hij al snel de vriendschap van Maarten Luther verwierf. In 1519 vergezelde hij Luther naar de grote bijeenkomst van Duitse theologen in Leipzig en fungeerde als notulist. Na enige tijd in Wittenberg les te hebben gegeven, ging hij in 1525 naar Frankfurt om de protestantse eredienst te vestigen. Hij woonde daar slechts een maand toen hij naar Eisleben werd geroepen, waar hij tot 1526 bleef als leraar aan de school van St. Andreas en predikant in de Nicolaikerk. In 1536 werd hij teruggeroepen om les te geven in Wittenberg, waar hij door Luther werd verwelkomd. Vrijwel onmiddellijk brak er echter een controverse uit, die tien jaar eerder was begonnen en tijdelijk tot zwijgen was gebracht, heftiger dan ooit. Agricola was de eerste die de opvattingen verkondigde die Luther als eerste stigmatiseerde onder de naam antinomiaan. Hij stelde dat hoewel niet-christenen nog steeds aan de wet van Mozes gebonden waren, christenen er volledig vrij van waren, omdat ze alleen onder het evangelie stonden. De controverse deed de twee theologen uit elkaar gaan. Philip Melanchthon leerde dat het noodzakelijk was om goede werken te doen, maar dat deze een uitvloeisel van het geloof waren en niet de reden om vergeving te ontvangen. Agricola vond dat Melanchthons visie op de wet haaks stond op die van Luther. Agricola vond dat de wet na de rechtvaardiging niet nodig was, mogelijk negerend het idee dat iemand nog steeds van het geloof kon afvallen. Dit staat mogelijk dichter bij de calvinistische opvatting van "Eens gered, altijd gered". Als gevolg van de bittere controverse met Luther vertrok Agricola in 1540 in het geheim vanuit Wittenberg naar Berlijn, waar hij een brief publiceerde gericht aan Frederik III, keurvorst van Saksen, die algemeen werd geïnterpreteerd als een herroeping van zijn eerdere opvattingen. Luther lijkt dit echter niet te hebben aanvaard en Agricola bleef in Berlijn.
Joachim II Hector, keurvorst van Brandenburg, had Agricola in zijn gunst aanvaard en benoemde hem tot hofprediker en algemeen superintendent. Hij bekleedde beide ambten tot aan zijn dood in 1566, en zijn carrière in Brandenburg was er een van grote activiteit en invloed.
Samen met Julius von Pflug, bisschop van Naumburg-Zeitz, en Michael Helding, titulair bisschop van Sidon, bereidde hij het Augsburgse Interim van 1548 voor, een voorgestelde regeling waarbij protestanten alle katholieke autoriteit zouden aanvaarden, waarbij zij de protestantse leer over de communie onder zowel mannelijke als gehuwde geestelijken mochten behouden, maar verder verplicht waren de katholieke leer en praktijk te aanvaarden, inclusief de verwerping van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Vanaf die tijd was hij een paria onder protestantse theologen. Het was ironisch dat een van de meest radicale hervormers zijn leven beëindigde met de gedachte dat hij zich had overgegeven aan de katholieken. Hij stierf tijdens een pestepidemie op 22 september 1566 in Berlijn.



BWV 641 “Wenn wir in höchsten Nöten sein”

Orgelbüchlein In de ontstaanstijd van BWV 641 werkte Bach in Weimar, als organist en kamermusicus aan het hof van hertog Wilhelm Ernst. Bach...