woensdag 25 februari 2026

BWV 654 “Schmücke dich, o liebe Seele”

Leipziger koralen

Ook van dit koraal zijner twee versies. BWV 654 a uit de periode in Weimar en BWV 654 uit de periode in Leipzig. Het koraal is ook gebruikt in Cantate BWV 180, zowel als openings- als slotkoraal. In Nederland werd de melodie gebruikt in de oude Hervormde bundel (1938) bij gezang 249: “Heiland, laat ons waardig komen, drinken uit uw levensstromen!”. In de latere liedbundels werd een vertaling van het lied door Jan Willem Schulte Nordholt opgenomen: “Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister”. De oorspronkelijke tekst is van Johann Franck ) en de melodie is van Johann Crüger.

Nederlandse Bachvereniging:
Schmücke dich, o liebe Seele (“maak jezelf mooi, o beste ziel”) is een van die orgelwerken van Bach die al bijna twee eeuwen geliefd zijn. De rijk versierde koraalmelodie doet precies wat de tekst vraagt: zichzelf mooi maken. Bach schreef het stuk in Weimar (BWV 654 a). Toen hij het later in Leipzig opnieuw onder handen nam was de belangrijkste verandering dat hij nog meer versieringen aan de koraalmelodie toevoegde. Na Bachs dood leerde Felix Mendelssohn dit werk rond 1830 kennen en een jaar later vond hij op het orgel van de Petruskerk in München de perfecte registratie voor het stuk. Voor de begeleidende stemmen koos hij een 8-voets fluit en “een heel zachte 4-voet” en “voor het koraal is er een klavier met louter tongwerk, en daar neem ik een zachte hobo, clairon 4-voet, heel zacht, en een viola”. Hij vertelde Robert Schumann later dat “als het leven je geloof en hoop heeft ontnomen, dan zal dit ene koraal dat alles weer hernieuwen”. In 1922 ging Arnold Schönberg nog een stapje verder in het kiezen van klanken voor BWV 654: hij bewerkte het stuk voor orkest. Aan de noten veranderde hij vrijwel niets. Hij gaf alleen instrumentele kleuren aan Bachs noten, zoals organisten steeds moeten doen.”

Fragment BWV 654.

Schmücke dich, o liebe Seele - Ton Koopman

Schmücke dich, o liebe Seele - Gert van Hoef

Schmücke dich, o liebe Seele!
Laß die dunckle Sünden Höle!
Komm ans helle Licht gegangen;
Fange herrlich an zu prangen.
Denn der Herr voll Heyl und Gnaden,
Wil dich itzt zu Gaste laden,
Der den Himmel kan verwalten,
Wil itzt Herberg’ in dir halten.

Eile, wie Verlobten pflegen,
Deinem Bräutigam entgegen,
Der da mit dem Gnaden-Hammer
Klopfft an deine Hertzens-Kammer.
Oeffn’ ihm bald die Geistes-Pforten:
Red ihn an mit schönen Worten:
Komm, mein Liebster, laß dich küssen!
Laß mich deiner nicht mehr missen.

Zwar in Kauffung theurer Wahren
Pflegt man sonst kein Geld zu sparen:
Aber du wilt für die Gaben
Deiner Huld kein Geld nicht haben:
Weil in allen Bergwercks-Gründen
Kein solch Kleinod ist zu finden,
Daß die Blut-gefüllte Schaalen
Und dis Manna kan bezahlen.

Ach! wie hungert mein Gemüthe,
Menschen-Freund, nach deiner Güte!
Ach! wie pfleg’ ich offt, mit Thränen,
Mich nach deiner Kost zu sehnen!
Ach! wie pfleget mich zu dürsten,
Nach dem Tranck des Lebens-Fürsten!
Wünsche stets daß mein Gebeine
Sich durch Gott mit Gott vereine.

Beydes Lachen und auch Zittern
Lässet sich in mir itzt wittern:
Das Geheimniß dieser Speise,
Und die unerforschte Weise,
Machet daß ich früh vermercke,
Herr, die Grösse deiner Stärcke!
Ist auch wohl ein Mensch zu finden
Der dein’ Allmacht solt ergründen?

Nein! Vernunfft die muß hier weichen,
Kan dieß Wunder nicht erreichen:
Daß diß Brodt nie wird verzehret,
Ob es gleich viel tausend nehret;
Und daß mit dem Safft der Reben
Uns wird Christi Blut gegeben.
O der grossen Heimligkeiten
Die nur Gottes Geist kan deuten!

Jesu, meine Lebens-Sonne!
Jesu, meine Freud’ und Wonne!
Jesu, du mein gantz Beginnen,
Lebens-Quell und Licht der Sinnen!
Hier fall ich zu deinen Füssen!
Laß mich würdiglich geniessen
Dieser deiner Himmels-Speise,
Mir zum Heyl, und dir zum Preise!

Herr, es hat dein treues Lieben
Dich vom Himmel abgetrieben,
Daß du willig hast dein Leben
In den Tod für uns gegeben,
Und darzu gantz unverdrossen,
Herr, dein Blut für uns vergossen,
Das uns itzt kan kräfftig träncken,
Deiner Liebe zu gedencken!

Jesu wahres Brodt des Lebens!
Hilff, daß ich doch nicht vergebens,
Oder mir vielleicht zum Schaden
Sey zu deinem Tisch geladen!
Laß mich durch diß Seelen-Essen
Deine Liebe recht ermessen,
Daß ich auch, wie itzt auf Erden,
Mag dein Gast im Himmel werden.

Van de oorspronkelijke negen verzen is het eerste een oproep aan de ziel om zich te tooien voor het Avondmaal en de holen van de zonde te verlaten. De mysterieuze aard van dit sacrament ontvouwt zich in vers 2, in de langverwachte vereniging van de Bruid van Christus met de verwachte Bruidegom, wiens genade onmiskenbaar doorbreekt tot in de kern van haar wezen. Vers 3 illustreert de sacramentele vervulling van het lutherse principe van genade door genade alleen (sola gratia) door het contrast met de economisch gedreven wereld, verwijzend naar het misbruik van aflaten en de toen cultureel dominante mijnbouw. Het vierde en vijfde vers reflecteren, deels in de vorm van een toespraak tot Christus, op de verschillende gevoelens van verlangen, vreugde en angst die de geest en het hart beroeren vóór de Communie. Het zesde vers belijdt het wonder van Christus' Werkelijke Tegenwoordigheid in het brood en de wijn, die de rede niet kan bevatten. Het zevende en negende vers zijn een nederig gebed tot Jezus om een waardige en reddende ontvangst van het hemelse voedsel, terwijl het achtste vers handelt over Christus' zelfontlediging (Filippenzen 2:5-11). Het vierde en vijfde vers weerspiegelen, deels in de vorm van een aanroeping tot Christus, de verschillende gevoelens van verlangen, vreugde en angst die de geest en het hart beroeren vóór de Communie. Het lied draait om de sacramentele vereniging van de individuele ziel met Christus. Een verbinding met de gemeente wordt niet expliciet vastgesteld; het "ik" (of "jij") kan echter ook collectief worden begrepen als een parabel voor de christelijke gemeenschap. De Bijbelse achtergrond omvat, naast de nieuwtestamentische verslagen van Jezus' Laatste Avondmaal, vooral de verhandeling over het Brood des Levens in het Evangelie van Johannes met het daaraan voorafgaande wonder van de spijziging van de vijfduizend (Johannes 6), evenals Paulus' aansporing betreffende de eucharistie met zijn dringende waarschuwing tegen onwaardige, destructieve ontvangst (1 Korintiërs 11:17-34). Het oorspronkelijke tweede couplet neemt de beeldspraak van het Hooglied over. Vooral het vierde (oorspronkelijk zesde) couplet verwijst naar de Corpus Christi-hymne Lauda Sion van Thomas van Aquino. De zelfoproeping aan het begin van het lied herinnert aan de conclusie van de gelijkenis van het bruiloftsfeest, de gast zonder bruiloftskleed (Matteüs 22:11-13).



 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

BWV 654 “Schmücke dich, o liebe Seele”

Leipziger koralen Ook van dit koraal zijner twee versies. BWV 654 a uit de periode in Weimar en BWV 654 uit de periode in Leipzig. Het koraa...