Orgelbüchlein
Het Orgelbüchlein (BWV 599-644) is een verzameling van wat
in totaal 164 korte bewerkingen van Luthers-protestantse kerkliederen of
koralen had moeten worden – in principe, één koraalbewerking per bladzijde –
maar waarvan er slechts 45 voltooid werden (plus een reeds in het begin
afgebroken bewerking van O Traurigkeit, O Herzeleid [BWV 753]). De
muziekstukken werden door Johann Sebastian Bach gecomponeerd in de periode
1713-1716 in Weimar en pas in 1722, in Köthen, van een titel en
titelbeschrijving voorzien. De meeste bladzijden van de autograaf zijn blanco.
Bach is in zijn Weimarer ambtstijd, als hoforganist en hofmusicus, duidelijk
van plan geweest om een speelboek van eigen orgelstukken te maken bestemd voor
en om uitgevoerd te worden op alle zon- en feestdagen van het kerkelijke jaar.
Het oorspronkelijke handschrift van het Orgelbüchlein – dat metterdaad het
formaat van een boekje heeft – bevindt zich Staatsbibliothek te Berlijn.
Op de titelpagina staat het doel:
Orgelboekje, waarin een beginnende organist instructies krijgt over hoe hij
een koraal op allerlei manieren moet spelen, en ook hoe hij zich kan
voorbereiden in de pedaalstudie, zoals in de daarin opgenomen koralen, waarbij
het pedaal volledig verplicht wordt behandeld. Alleen ter ere van de
Allerhoogste God, om je naasten eruit te onderwijzen. Auteur: Joanne Sebastián
Bach.
Het lied ‘Nun komm’der Heiden Heiland’ is al heel oud.
Luther heeft het gebruikt, maar het lied gaat terug op kerkvader Ambrosius (Veni,
Redemptor gentium), die leefde in de 4e eeuw.
'Nun komm der Heiden Heiland' - Dorien Schouten
Nun komm' der Heiden Heiland - Cor Ardesch
Nun komm der Heiden Heiland,
der Jungfrauen Kind erkannt;
deβ sich wundert alle Welt,
Gott solch Geburt ihm bestellt.
Nicht von Manns-Blut, noch von Fleisch
allein von dem Heiligen Geist
ist Gottes Wort worden ein Mensch
und blüht ein Frucht Weibes Fleisch.
Der Jungfraun Leib schwanger ward
doch blieb Keuscheit rein bewahrt
leuchtt herfür manch Tugend schon,
Gott da war in seinem Thron
Er gieng aus der Kammer sein
Dem Königlichen Saal so rein,
Gottt von Art und Mensch ein Held,
sein'n Weg er zu lauffen eilt.
Sein Lauff kam vom Vater her
Und kehrt wieder zum Vater,
fuhr hinunter zu der Höll
und wieder zu Gottes Stuhl.
Der du bist dem Vater gleich
führ hinaus den Sieg im Fleisch
daβ dein ewig Gotts Gewalt
in uns das kranck Fleisch enthalt.
Dein Krippen glänzt hell und klar,
die Nacht gibt ein neu Licht dar,
Dunckel muβ nicht kommen drein,
der Glaub bleibt immer im Schein.
Lob sey Gott dem Vater gthon,
Lob sey Gott seinm eingen Sohn,
Lob sey Gott dem Heilgen Geist,
immer und in Ewigkeit.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten